Parkinson behandeling

Het advies is om patiënten minimaal elke 6 tot 12 maanden te controleren. Bij veranderingen klinisch beeld of wijzigen medicatie controles elke 2-4 maanden.

Naast motorische klachten ook aandacht voor de niet motorische klachten. Denk hierbij onder andere aan:

  • sociale aspecten
  • cognitieve problemen
  • autonome functiestoornissen
  • mentale stoornissen
  • pijn
  • slaapstoornissen

Overige begeleiding:

  • Parkinsonverpleegkundige: elke patiënt minimaal eenmaal verwijzen
  • Tijdig inschakelen therapeuten of ander specialisten: fysiotherapie, ergotherapie, logopedie, dietiek, revalidatie-arts, neuropsycholoog, geriater, psychiater
  • Multidisciplinaire screening

 

Medicamenteuze behandeling

Patiënten met een de novo ZvP of patiënten met een stabiele ZvP die functiebeperkingen ervaren en daarom behandeling behoeven. Zoveel mogelijk naar monotherapie streven. Het is niet mogelijk om op basis van wetenschappelijk bewijs een medicament van eerste keuze aan te bevelen.

 

Levodopa met directe afgifte

Opbouwschema met hierbij streven naar een zo laag mogelijke dosering waarmee een goed effect bereikt wordt. Gestart kan worden met 3dd 62.5 mg, bij onvoldoende effect na 2 weken op te bouwen tot 3dd 125 mg.

Zo nodig geleidelijk verhogen, waarbij vooral een voldoende hoge dosis levodopa per gift van belang is. Voorbeeld verhogen met 125 mg per week, tot een maximum van 4dd 375 mg.

Als een dosering levodopa van rond de 1000 mg/dag gedurende minimaal vier weken geen klinische verbetering geeft, dient een atypische vorm van parkinsonisme te worden overwogen.

Indien minimaal effect dan kan hoger worden gedoseerd.

De individuele opname van levodopa is zeer variabel, waardoor vooral de verhoging van de dosering levodopa per gift (tot maximaal 375 mg/gift) belangrijker is dan lagere doseringen levodopa vaker te geven.

Levodopa dient minimaal 1 uur voor of na de maaltijden ingenomen te worden, bijvoorbeeld met water, sap of appelmoes. Aanvullend dient de netto eiwit intake over de dag waar mogelijk verlaagd te worden.

 

Levodopa met gereguleerde afgifte

Bij hinderlijke nachtelijke OFF-gerelateerde klachten of bij OFF-gerelateerde klachten gedurende de vroege ochtenduren.

 

Dopamine-agonisten

De voorkeur gaat uit naar non-ergot dopamine-agonisten (pramipexol, ropinirol en rotigotine).

Bij het niet verdragen van deze middelen kan een ergot dopamineagonist (bromocriptine of pergolide) worden voorgeschreven.

Indien pergolide: controle op souffles over het hart en tekenen van decompensatio cordis door middel van lichamelijk onderzoek en jaarlijks echografische controle van het hart door een cardioloog.

Bij bijwerkingen of onvoldoende effect

Overnight switch naar een andere dopamine-agonist (conversiefactoren pergolide: pramipexol: ropinirol = 1:1:5).

Indien hinderlijke bijwerkingen: dosisverlaging. Bij impulscontrolestoornis is dosisverlaging de eerste keus.

Indien perifere bijwerkingen optreden, zoals misselijkheid, braken en deels ook orthostase: domperidon (3 dd 10-20mg). Gebruik van metoclopramide dient vermeden te worden.

Bij oudere patiënten, en zeker bij patiënten met cognitieve stoornissen, moeten dopamine-agonisten niet worden voorgeschreven in verband met een sterk verhoogd risico op het ontstaan van hallucinaties.

 

Dopamine-agonisten versus levodopa

Afhankelijk van individuele factoren.

Indien dopamine-agonisten niet (meer) voldoende effectief zijn als initiële therapie, kan, naast de dopamine-agonist, levodopa worden gestart (en vice versa).

Bij oudere patiënten, en zeker bij patiënten met cognitieve stoornissen, moeten dopamine-agonisten niet worden voorgeschreven in verband met een sterk verhoogd risico op het ontstaan van hallucinaties.

 

Mono-Amino-Oxidase-B (MAO-B) remmers

Bij lichte functiebeperkingen.

Selegiline kan vanwege het amfetamine effect voorgeschreven worden bij de behandeling van slaperigheid en inactiviteit overdag.

Bij hallucinaties, al of niet gepaard met cognitieve stoornissen, zijn MAO-B remmers gecontraïndiceerd.

 

Amantadine

Bij lichte functiebeperkingen.

Dosering 2 dd 100 mg

Bij oudere patiënten, en zeker bij patiënten met cognitieve stoornissen, moet amantadine niet worden voorgeschreven in verband met een sterk verhoogd risico op het ontstaan van hallucinaties.

 

Bètablokkers bij de behandeling van een Parkinsontremor

Bij posturele tremor of actietremor.

Indien een bètablokker: voorkeur voor propranolol (meeste klinische ervaring)

(Niet-selectieve) bètablokkers zijn gecontraïndiceerd bij patiënten met de ZvP die tevens COPD, diabetes mellitus, astma, bronchospasmen, AV-blok, onbehandeld hartfalen, perifere circulatiestoornissen of hypotensie hebben.

 

Anticholinergica

Bij rusttremor bij relatief jonge en op cognitief gebied goed functionerende patiënten.

Vanwege de kans op neuropsychiatrische bijwerkingen: niet eerste keuze.

 

Gebaseerd op: CBO-richtlijn: Multidisciplinaire richtlijn ziekte van Parkinson

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *